Wet op het welzijn

Algemene principes betreffende het welzijnsbeleid

Elke werkgever moet in zijn onderneming of instelling een beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk uitbouwen. Dit beleid heeft tot doel arbeidsongevallen en beroepsziekten te voorkomen en de verhouding tussen mens en werk nader te bepalen, zodat beter rekening gehouden wordt met de mens in zijn totaliteit. Hiertoe zal elke werkgever de preventiemaatregelen die in zijn onderneming of instelling van toepassing moeten zijn, moeten bepalen op grond van de aard van de activiteiten die hij verricht en op grond van het aantal werknemers die hij tewerkstelt evenals hun specifiek risicoprofiel. Dit preventiebeleid dient rekening te houden met een aantal specifieke wettelijke en reglementaire bepalingen, die door de overheid werden uitgevaardigd om het kader aan te geven waarbinnen dit preventiebeleid kan tot stand komen.

Codex

De codex over het welzijn op het werk bevat alle uitvoeringsbesluiten van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. De codex over het welzijn op het werk bestaat uit 10 boeken, die verder onderverdeeld worden in titels, hoofdstukken en afdelingen en, waar nodig, ook onderafdelingen.

Dynamisch risicobeheersingssysteem

Het dynamisch risicobeheersingssysteem heeft betrekking op de acht domeinen die samen het begrip "welzijn" vormen. Het houdt rekening met de wisselwerking die er tussen die domeinen bestaat of kan bestaan.

Dit systeem houdt rekening met:

  • de aard van de activiteiten;
  • de specifieke risico's verbonden aan die activiteiten;
  • de specifieke risico's eigen aan bepaalde groepen werknemers.

Codex Boek III, Titel 2 Elektrische installaties

Kader en situering

Het doel van titel 2 betreffende de elektrische installaties van boek III van de codex is:

  • De basisprincipes van de wetgeving betreffende de elektrische installaties te laten aansluiten bij de basisprincipes van de andere titels van de codex.
  • De werkgever eraan herinneren dat het correct laten keuren van een elektrische installatie geen garantie is op absolute veiligheid en het belang van de risicoanalyse herbevestigen voor alle elektrische installaties op de arbeidsplaats (oude en nieuwe).
  • Het veiligheidsniveau van de oude installatie op een hoger niveau brengen en het beter doen overeenstemmen met het veiligheidsniveau van de installaties die onder het toepassingsgebied van het AREI vallen.
  • Eenvormigheid waarborgen in de controles van de elektrische installaties.

Toepassingsgebied

Titel 2 van boek III van de codex is van toepassing op:

  • de werkgevers, de werknemers en de daarmee gelijkgestelde personen zoals voorzien in de welzijnswet (artikel 2, §1 van de wet);
  • de elektrische installaties bestemd voor productie, omvorming, transport, verdeling of gebruik van elektrische energie, voor zover dat de nominale frequentie van de stroom niet groter is dan 10.000 Hz;
  • de elektrische installaties gelegen in de gebouwen of op de terreinen van de onderneming of de inrichting van een werkgever (artikel III.2-2, §1).

Risicobeoordeling en andere preventiemaatregelen

Algemene benadering

Het doel is om de werknemers te beschermen tegen de risico’s verbonden aan een elektrische installatie en het gebruik ervan.
De werkgever moet, in overeenstemming met de welzijnswet en de artikelen I.2-5, I.2-6 en I.2-7 van de codex, een risicoanalyse uitvoeren van elke elektrische installatie waarvan hij de houder is en moet deze evalueren. Vervolgens zal hij de toe te passen preventiemaatregelen uitwerken, waarbij voorrang wordt gegeven aan de collectieve maatregelen boven de individuele maatregelen en zal hij deze uitvoeren (dynamisch risicobeheersingssysteem).

Minimum inhoud risicoanalyse

Tenminste de volgende risico’s moeten worden onderzocht:

  • het gevaar van elektrische schokken ten gevolge van rechtstreekse of onrechtstreekse aanraking;
  • ontladingen, lichtbogen en potentiaalspreidingen;
  • ophoping van energie (bv. condensator), overspanningen en overstromen;
  • oververhitting, brand en explosie;
  • spanningsvallen en wederopkomen van de spanning en andere risico’s inherent aan de installatie;
  • niet-elektrische risico’s te wijten aan een fout of een slecht functioneren van een elektrische uitrustingscomponent, zoals stuurorganen of stuurstroombanen.

Deze lijst is een niet-limitatieve lijst en indien blijkt dat er in de praktijk andere risico’s optreden, is de werkgever verantwoordelijk om deze risico’s te analyseren en de nodige preventiemaatregelen te nemen om hieraan te verhelpen.
Bij de evaluatie zal de werkgever tenminste rekening houden met:

  • de spanningsgebieden en het systeem van de aardverbindingen;
  • zowel de absolute als de relatieve conventionele grensspanning alsook de uitwendige invloeden;
  • eventuele andere factoren.

De algemene preventieprincipes en preventiemaatregelen
De werkgever stelt met behulp van de risicoanalyse de nodige preventiemaatregelen op om het risico zoveel mogelijk te beperken. Hij past bij het opstellen van deze maatregelen de algemene preventieprincipes van artikel 5 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk toe en houdt hierbij rekening met hun hiërarchie.
Deze is de volgende:

  • Het voorkomen van risico’s primeert op de reductie ervan via preventiemiddelen.
  • Het bestrijden van risico’s bij de bron primeert op het nemen van collectieve preventiemaatregelen.
  • Collectieve beschermingsmiddelen hebben voorrang op individuele beschermingsmiddelen.

Daarnaast voorziet de werkgever in de nodige opleiding voor de werknemers die taken uitvoeren aan een elektrische installatie en vergewist hij zich ervan dat deze werknemers de reglementering en de instructies die moeten nageleefd worden kennen. De opleiding en instructies kunnen echter in geen geval de materiële preventiemaatregelen vervangen.
Minimale voorschriften betreffende de uitvoering van de elektrische installatie

De werkgever neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de elektrische installatie zodanig is uitgevoerd, zodanig wordt uitgebaat en zodanig in stand gehouden wordt dat:

  • de hoger opgesomde risico’s beperkt worden;
  • en de werknemers beschermd worden tegen mogelijke negatieve gevolgen te wijten aan een manipulatie van de elektriciteit.

Het materiaal gebruikt voor de uitvoering van de elektrische installatie moet voor elk te evalueren risico minstens voldoen aan de bepalingen van het AREI.
De wetgever wil dat de installatie opgebouwd is met materiaal dat zodanig voldoet aan de bepalingen van het AREI dat het tijdens een normaal gebruik geen risico’s voor de gezondheid van de werknemers introduceert.
Daarnaast moet het materiaal aangepast zijn aan de te verwachten uitwendige invloeden en gebruiksomstandigheden. Als er een handleiding van het materiaal beschikbaar is, dan moet de gebruiker daar rekening mee houden.

Offerteaanvraag

Wenst u een offerte te ontvangen omtrent een risicoanalyse? Laat het ons weten via onderstaand formulier. Wij contacteren u dan binnen de 24 uur.

Onze webinar rond groene mobiliteit

Recent organiseerden we onze webinar rond groene mobiliteit. De bedrijfswagen is in ons land nog steeds een populaire manier om werknemers op een fiscaal en sociaal gunstige manier te verlonen.

Lees meer

“Laadpalen bij ELECTROTEST? Wij zijn het ons imago verplicht”

“Van elektriciteit tot fiscaliteit!”
Zo breed is het gamma aan adviezen bij ELECTROTEST.

Zorg ervoor dat uw installaties toekomstbestendig zijn, zorg ook voor een goede car-policy en zorg voor bijhorende laad-afspraken.
En zorg voor beleid voor werknemers over waar en wanneer zij hun voertuig opladen”.

Dit zijn slechts enkele tips die ELECTROTEST u kan geven i.v.m. het verduurzamen van uw onderneming.

Lees meer
Op basis van de regelgeving inzake Algemene verordering van Gegevensbescherming, worden cookies beschouwd als persoonsgegevens. Op deze website worden cookies gebruikt. Geef aan dat u met het gebruik van cookies instemt. Meer informatie vindt u in ons Privacybeleid. Akkoord