Het water in de metalen radiatoren die met kunststofbuizen verbonden zijn aan de verwarmingsketel kan een zekere geleidbaarheid vertonen. Op basis van deze hypothese zouden de metalen radiatoren moeten beschouwd worden als vreemd geleidende delen en onder deze omstandigheden zou een dergelijke radiator die zich in de badkamer bevindt dan ook moeten verbonden worden met de bijkomende equipotentiaalverbinding, zoals opgelegd door art. 86.10.k van het A.R.E.I..
Nochtans blijkt het risico op een gevaarlijke potentiaalverschil tussen een metalen radiator en een vreemd geleidend deel of een andere massa aanwezig in de badkamer, verwaarloosbaar te zijn. Daarom kan het volgend standpunt aangenomen worden: "wanneer een radiator van een centrale verwarmingsinstallatie verbonden is met isolerende leidingen, is de verbinding met de bijkomende equipotentiaalverbinding niet verplicht en moet er dus geen inbreuk vermeld worden wanneer een dergelijke radiator niet verbonden is met de bijkomende equipotentiaalverbinding".
De hoofddifferentieel moet minimum de waarde hebben van de hoofdautomaat in de tellerkast of hoger met een min van 40A type A
De bijkomende differentieel mag even hoog zijn als de hoofddifferentieel, doch mag deze lager gekozen worden indien er per fase niet meer stroom kan vloeien dan de nominale stroomwaarde dat deze differentieel kan verdragen. Dit wil zeggen dat een oplossing zou kunnen zijn: een differentieel-automaat of de som van de In van de onverstroombeveiligingen na een bijkomende differentieel moet kleiner of gelijk zijn aan de In van de desbetreffende differentieel.
Een elektrisch dossier moet steeds aanwezig zijn bij een installatie. Een essentieel onderdeel hiervan is het schema. Dit is een verplichting volgens art. 16 van het AREI.
De uitwendige invloeden moeten opgesteld worden volgens art. 19 van het AREI. Dit moet niet door een erkend organisme gebeuren, maar een erkend organisme moet de uitwendige invloeden wel goed keuren. Een plan en lijst hiervan moet afgestempeld en ondertekend worden door een afgevaardigde van een erkend organisme. De eigenaar van de installatie of zijn afgevaardigde moet dit eveneens ondertekenen.
Men heeft er alle belang bij om de uitwendige invloeden in samenwerking met het erkend organisme te bepalen.
De periodiciteit voor elektrische industriële installaties bedraagt 5 jaar. Dit is vastgelegd in art. 271 van het AREI.
Echter elke belangrijke wijziging of uitbreiding van de installatie moet aan een gelijkvormigheidscontrole onderworpen worden volgens art. 270 van het AREI.
Het bord moet de nodige waarborgen bieden voor veiligheid, in de zin van het AREI art 5+7. Maar het bord is in dit geval een DEEL van een machine waarvoor een Technisch Constructie Dossier (TCD) is opgesteld. In dit TCD zijn installatievoorwaarden opgenomen, alsook het VOORZIENE GEBRUIK, de restrisico's, enz.
Het betreft een LEGE kast. De constructienorm van dit geval is de EN IEC 62.208 (voorheen was dit de EN 50298). Het bord betreft LS - materieel dat op de Europese markt gebracht wordt. De LS richtlijn 2006/95/EG (voorheen de 73/23/ E6 + 93/68/E6) is toepasselijk. De genoemde norm werd gekozen ALS MIDDEL om te voldoen aan de 11 essentiële eisen van de bijlage 1 van de RL.
Mogelijkheid 2:
Het bord is intern uitgerust met schakelaars, automaten enz. Het is bedoeld voor een bepaalde toepassing (toegelaten gebruik) en wordt als dusdanig „TE KOOP" aangeboden.
De LS RL is van toepassing.
Zo is „DE" regel van de kunst, om te voldoen aan de „essentiële eisen" van de LS RL als het over een werfbord gaat, de EN 60439.4.
Dit bord beantwoordt per definitie, aan de voorwaarden van het AREI art 7 als „PRODUCT", als de genoemde norm gerespecteerd werd en de nodige attesten en documenten kunnen voorgelegd worden.
In de zin van het AREI art 5+7 spreekt art. 252 eigenlijk over de EN 60439.1: LS schakel- en verdeelinrichtingen, GEHEEL of GEDEELTELIJK TYPE beproefde samenstellingen.
- Art 252.03 verduidelijkt: OF men respecteert de voorwaarden genoemd in de EN 60439.1 OF men zorgt voor een veiligheidsniveau dat tenminste GELIJKWAARDIG is met het niveau vooropgesteld door de EN 60439.1
- D.w.z. PRIVATE bordenbouwers kunnen nog altijd borden zelfstandig bouwen ALS zij zorgen voor de GELIJKWAARDIGE veiligheid, dewelke vooropgesteld werd door de geharmoniseerde basisnorm i.v.m. borden voor de industrie.
Of de bordenbouwer heeft een attest geschreven, waarin hij bevestigt dat hij het bord bouwde conform de EN 60439.1 eisen, met de NODIGE afbakeningen en begrenzingen. (art 7 AREI) - De bestelboneisen (KB 04/05/1999 art. 8) worden hier buiten beschouwing gelaten.
OF de bordenbouwer heeft bevestigd via een attest, dat het desbetreffende bord de nodige waarborgen biedt voor veiligheid ALS
kortsluitvermogen ter plaatse beperkt is tot...
de toegang tot het bord voorbehouden is aan...
het bord bedoeld is om geplaatst te worden in omstandigheden, gekenmerkt door de uitwendige invloeden....
enz.
OF men had op basis van het AREI art 5+7 het bord moeten afkeuren.
Deze alinea verwijst naar het KB 18/06/1990 i.v.m. de uitoefening van de menselijke en dierlijke geneeskunde. Deze verwijzing is FOUT en geldt enkel nog voor de diergeneeskunde. Voor de menselijke geneeskunde is er de economische richtlijn 93/42/EG omgezet via het KB 18/03/1999.
CE is een LABEL, en in geen enkel geval een keurmerk, dus ook zeker geen ATTEST.
CE is een noodzakelijk kwaad dat op zeer vele elektrische componenten en toestellen moet, alvorens ze op de Europese markt mogen gebracht worden.
Op huishoudelijke stopcontacten bv. kan het CE label NIET
Op toestellen die werken op < 50V ac kan een CE label niet op basis van de LS RL. Dit treedt slechts in voege vanaf 50V.
Een schakelaar met als info op de kenplaat Ue 400V Ui 690V Uimp 6kV Ie 100A schakelklasse AC 22 IP 00 CE is GEEN garantie in de zin van het AREI art 5+7.
Art 9.02 zegt: ALS er normen bestaan, gehomologeerd door de koning of geregistreerd door het B.I.N., dan MOETEN die aanzien worden als regel van goed vakmanschap.
Problemen:
Fabrikanten vermelden soms de combinatie van „letters + getal" op hun kenplaat of in hun cataloog, maar.. dit is dan geen norm.
Bv. EN 60947 BESTAAT NIET
De EN 60947.1 - punt 2 t.e.m. 7 bestaat. Of een vermelding van EN 60947 heeft geen zin, behalve dan dat men zand in de ogen wil strooien van de "ter goeder trouw" zijnde gebruiker. Zie evenzo de EN 60439. Er bestaat de EN 60439.1 punt 2 enz.
Een geregistreerde norm, is bv. een Europese norm in het Engels, Frans of Duits en die wij, Vlamingen, dus moeten aanzien als DE regel der kunst, maar... wij kunnen de norm terzake niet lezen, dus niet begrijpen en dus zeker niet toepassen...
Het meest essentiële, het meest belangrijke dat bij elke controle van een elektrische installatie(EI) zou moeten gebeuren is het meten van de isolatieweerstanden.
Een inspecteur die een EI keurt zonder de isolatieweerstanden te meten, is zoals een dokter die een zwaar zieke patiënt onderzoekt, zonder de bloeddruk te meten.
ongevallen t.g.v. INDIRECTE aanraking zijn enkel mogelijk ALS het ISOLATIENIVEAU van zeer slecht tot 0Ω geëvolueerd is.
in heel veel gevallen is de oorzaak van de brand NIET de kortsluiting, wel de SLECHT GEWORDEN ISOLATIEWEERSTANDEN.
Een DSI (Differentieel Stroom Inrichting) mag NOOIT als enig middel gekozen worden om de bescherming tegen INDIRECTE aanraking te waarborgen.
Als het risico „indirecte aanraking" is, dan wordt de BASISREGEL "AARDEN".
De ontstane foutstroom, als gevolg van de slecht geworden isolatieweerstand, moet via de PE terug naar de bron.
Als de contactspanning (deze die ontstaat tussen - meestal toch - de hand en de voeten van het potentieel slachtoffer) TE hoog wordt, gedurende een te lange tijd, is de DSI het BIJKOMEND middel om de veiligheid te waarborgen (als hij werkt volgens de regels der kunst).
Er zijn open (type B) en gesloten (type C) toestellen.
Bij type B toestellen is een aanvoer van verse lucht, rechtstreeks van buiten,noodzakelijk en verplicht. Evenals de aansluiting aan een goedwerkende schouw.
Type C toestellen hebben noch lucht, noch schouw nodig, maar moeten via bijgeleverde buizen en uitlaat aangesloten worden op een buitenmuur. De plaats van uitmonding is bepaald bij norm.
Vooraleer er een controle kan gebeuren van de binneninstallatie van uw waterleiding, dienen er een aantal documenten opgemaakt te worden. Deze documenten moeten ter beschikking worden gesteld van de inspecteur. Zonder deze documenten wordt de installatie afgekeurd.
De volgende documenten moeten aanwezig zijn:
Synoptisch plan van de woning waarop de leidingen zijn aangebracht. Het traject van de leidingen is aangeduid in kleur. Groen voor sanitair koud water, rood voor sanitair warm water en blauw voor regenwater.
De toestellen worden aangeduid met nummers. Deze nummers verwijzen naar de toestellenlijst.
Het andere document is de toestellenlijst. Hierop worden alle toestellen vermeld en komen overeen met de nummer op het plan. Volgende zaken moeten weergegeven worden op de toestellijst:
Volgnummer;
Beschrijving toestel;
Merk;
Type;
Referentienummer of artikelnummer fabrikant;
Aanduiding of het aangesloten is op drinkwater of tweedecircuitwater.
Een voorbeeld van een plan en toestellenlijst is terug te vinden op http://www.svw.be
Installaties gecontroleerd voor 31/12/2008 werden goedgekeurd met een EA beveiliging. Vanaf 1/01/2009 is het echter verplicht van een CA beveiliging te hebben voor de bijvulling van de CV-ketel. Een overgangsperiode is niet voorzien.
Een installatie geplaatst in 2008 met een EA beveiliging die wordt gekeurd in 2009 zal afgekeurd worden.